Personalia en aanvullende gegevens behorende bij het artikel 'Knokken op het Vliet'


Cornelis Schelte Sixma Baron van Heemstra, geboren op 7 augustus 1826 te Leeuwarden, was nog maar kort burgemeester van Franeker. Hij werd op 5 november 1856 in die functie benoemd en vertrok op 2 mei 1859 naar Oudwoude. Hij was gehuwd met Clara Tjallinga Ædonia van Eijsinga.

Herberg ‘Het Wagentje’ stond aan de oostkant van de Sjaerdemastraat.  Ten tijde van het incident was de herberg eigendom van Jan Roosendaal, kastelein. De zaak werd gerund door de uit Nijland afkomstige vrijgezel Wieger Thomas Galema samen met zijn broer Gerben. Geen van beiden was van onbesproken gedrag. Wieger was er al een paar keer van beschuldigd letterlijk water bij de wijn te doen en deze voor echte miswijn te verkopen aan zijn katholieke geloofgenoten en Gerben voor het illegaal slachten van varkens en schapen en het gelegenheid geven tot ontuchtige zaken met Henderina Terpstra en Antje van Dijk in de stal achter de herberg.
Kort na de vechtpartij vertrok Gerben naar Achlum en Wieger begon een groentewinkel op de hoek van het Noord en de Molensteeg.
De herberg werd in 1878 afgebroken om plaats te maken voor café ‘Het hof van Holland’, dat in 1958 een werkplaats van de Oostwoudfabrieken werd. Na het vertrek van Oostwoud werd het een supermarkt. Nu is het een zaak voor woningstoffering.

Petrus Gerrits Ferwerda werd geboren op 26 november 1810 te Franeker als zoon van Gerrit Ferwerda, arbeider, en Elske Pieters van der Perk. Petrus had twee broers en een zuster uit eerdere huwlijken van zijn vader.
Petrus was eerst arbeider op het tichelwerk van Fontein en op 1 mei 1839 werd hij een “gezworen turfdrager”. Op 3 mei 1846 werd hij tot “policie dienaar” 3de klasse benoemd. Het uniformjasje kreeg hij in bruikleen van de gemeente. Broek en schoenen moest hij zelf betalen. Ook was het verplicht een baard te hebben. Alleen agenten in klasse 1 beschikten over een sabel, omdat ze tevens deel uitmaakten van de schutterij. Petrus kreeg deze status nimmer, omdat hij als hoofdtaak had het reguleren van de orde op het Oost- en Westvliet. En dat was de laagst gewaardeerde baan.
Petrus trouwde op 22 mei 1836 met Minke Fokeles Wassenaar. Het echtpaar kreeg 4 kinderen, drie dochters en een zoon. Ze woonden aan de westzijde van de Vijverstraat en verhuisden op 20 juli1847 naar het politiebureau aan de Harlingerstraatweg, waar Petrus de opvolger werd van agent Pieter Pijbes Waardenburg die drie weken eerder was overleden.
Na de dood van Petrus, in 1858, moest Minke met haar kinderen en haar schoonmoeder het politiebureau weer verlaten. Ze verhuisden weer naar de Vijverstraat. Om toch enige inkomsten te hebben werd ze naaister en deed wasserij aan huis. In 1864 vertrok ze naar het Martiniplantsoen, omdat ze een baan kreeg als clavigera (conciërge) van de Latijnse school. Op 29 mei 1870 nam ze haar intrek in het Westerhuis Vrouwengasthuis, waar ze twintig jaar later overleed. Ze werd 81 jaar. Gerrit, hun enige zoon, vertrok in 1882 naar Amsterdam waar hij een verfbedrijf begon.

Anne Pieters Bijlsma werd op 24 januari 1836 te Tzum geboren, als zoon van Pieter Gerrits Bijlsma en Hiske Klases Jongsma. Het echtpaar kreeg 8 kinderen waarvan Klaas, geboren op 10 november 1824, de oudste was, Anne was het vijfde kind en Thomas, geboren op 14 september 1844, de jongste. Het gezin kwam op 20 mei 1837 van Tzum naar Franeker en vestigde zich op het Oostvliet. Vader dreef een handel in ongeregelde goederen en vestigde in de loop der jaren een reputatie als zeer vecht- en dranklustig; hij kende de cel onder het stadhuis als zijn broekzak. Moeder ventte met vis. Vader Pieter overleed op 31 juli 1846, toen hij onder de voet werd gelopen door de op hol geslagen paarden van schuitenjager Simon Houtstra. Moeder Hiske overleed in 1853.
De oudste zoon Klaas droeg nu alle zorg voor zijn zeven broers. Hiske, het enige meisje, was op 27 februari 1849 al overleden. Maar de taak bleek te zwaar voor Klaas. Zijn drie jongste broers, Sjouke, Bauke en Thomas werden op 22 september 1853 in het weeshuis op de Breedeplaats geplaatst. Sjouke ging in 1862 naar Klaas terug en werd eerst timmerman en van 1891 kastelein in het café op de hoek van de Zuiderkade en de Kerkstraat. Hij overleed op 1 april 1892. Het café werd in 1909 afgebroken. Op die plaats werd in 1925 een kerkgebouw neergezet.
Bauke overleed op 18-jarige leeftijd in het weeshuis en Thomas vertrok in 1863 naar Wijnaldum. Jan, Jelle en Anne bleven bij Klaas in het ouderlijk huis wonen. Jelle werd koopman in granen. Anne kwam bij Klaas in dienst als knecht.
Klaas had de zaak van zijn vader overgenomen en begon tevens een bier- en brandewijnhandel. Klaas nam in 1875 café De Bleek over van Durk Zeinstra. In 1896 verkocht hij zijn zaak aan Hidde Otter.
Jan, geboren op 4 december1830, was de tweede zoon van Pieter en Hiske. Jan was eerst een tijdje boerenknecht geweest maar werd in 1856 kastelein in café De Belt op de hoek van de Harlingerstraatweg en het Westvliet. De agent Petrus Ferwerda, die in het schuin tegenover het café staande politiebureau woonde, kwam regelmatig het café in om de tapvergunning te controleren. Ongetwijfeld heeft Petrus daar Anne wel eens gezien want die verzorgde de aanvoer van bier en drank, die door Klaas werden geleverd en na 1875 door Jan Bogtstra. Dezelfde Jan Bogtstra die in dit café, samen met o.a. Jan Bijlsma’s zoon Pieter, in 1893 de kaatsvereniging Jan ‘Bogtstra’ oprichtte. De kleinzoon van Jelle, Annes broer, zou later jarenlang voorzitter zijn van de PC. 
Toen Bogtstra op 14 mei 1896 overleed nam zijn zoon Gerrit de zaak over.