Over nummer 5  ontvingen we reacties van H. Hofstra, G. van der Heide en W. Annema.

1. H. Hofstra:




2.  Een aantal opmerkingen van G. van der Heide:

Bolleman:
 De steen in de boerderij, die nimmer een herbergfunktie heeft gehad, heeft niets te maken met een Bolleman. De steen was bedoeld als een soort uithangbord voor de verzamel en bewaarplaats voor koeien en schapen die niet de stad in mochten wegens besmettinggevaar van o. a. miltvuur en MKZ. De stalling werd in 1743 gebouwd. Later werd er een boerderij van gemaakt.
De Slachtedijk heeft niets te maken met slachtvee. Sterker nog; het vee mocht niet eens op de dijk komen.

Ontstaan van Franeker:
In het artikel van Annema over de Breedeplaats staan geen echte fouten, maar een loop/rijpad naar het zuiden via de Lijnbaanstraat is onjuist. Een paar weken geleden is een onderzoek afgerond naar de grondsamenstelling en opbouw van het deel ten zuiden van de oude terp Franeker. Dat deel is altijd onbegaanbaar geweest door moerasvorming als gevolg van een oude binnenzee. De Lijnbaanstraat was van oudsher een afwatering voor de terp, evenals de Grote Hofstraat. De Snobfenne lag even ten westen van de Galgefenne aan de oude weg naar Winsum.
   De stadsput bestaat nog steeds en ligt nu onder de achterkamer van het huis van de familie Witte aan de Breedeplaats 8. Wel afgedekt, maar niet gedempt. Op de plaats van de Drogisterij stond een Stins laatst eigendom van de familie Grombach. Tijdens de nieuwbouw van de winkel werd een deel van het fundament terug gevonden. Die stins vormde de oostgrens van de Breedeplaats die door de bouw van de huizen verplaatst werd naar het westen.

Religie:
   Het artikel over de religie in Franeker bevat een regel over het leprozenhuis aan de Vijverstraat bij de Mariakapel. Dit is onzin. Het leprozenhuis stond aan het eind van het Oostvliet nabij het hooghout. Een deel van de administratie en personeelbezetting bevind zich in het archief. In geen enkele stad of dorp stond het leprozenhuis binnen de stadswallen/grenzen.
   De Martinikerk werd niet in 1421 gebouwd, een hardnekkig misverstand, maar verbouwd in 1408. De in Kampen bestelde torenspits verdween in de golven maar bevind zich nu, met schip, in het Keteldiepmuseum.

Allemanshuis:
   Het Allemanshuis in de Grote Hofstraat is in 1614 gebouwd. Er werd in 1612 een tuchthuis of gevangenis gebouwd. Maar de gebruikte materialen waren van een zeer slechte kwaliteit waardoor het op 23-11-1612 door een zware storm instortte.
  G. van der Heide


3. Ook Tr. Riemersma reageerde over "de Slachte"


4. De Bolleman heeft wel wat losgemaakt,
    Ook W. Annema klom in de pen over de Bolleman
:

In het blad Franicker staat een artikel over De Bolleman van Franeker. Dit artikel is indertijd verschenen in de Franeker Courant, maar daarbij is geen bronvermelding genoemd. Daardoor lijkt het alsof het een verslag is van een onderzoek, maar de lezer kan de beweringen niet (gemakkelijk) controleren. Wetenschappelijk gezien heeft het weinig zin dergelijke verhalen opnieuw te plaatsen, ook al verwijst men daarbij naar de Franeker Courant als bron. Helaas klopt het onderschrift bij de tweede afbeelding niet met datgene wat de tekst suggereert. Daarin wordt niet de boerderij met gevelsteen weergegeven, maar een huis waar nu de "gymnastiekschool" op Kleyenburg staat. Zoekt men nu naar de oorsprong van het weergegeven verhaal, dan komt men uit bij blz 100 van het eerste deel van een standaardwerk van Waling Dykstra uit het eind van de 19de eeuw, uitgegeven bij Suringar te Leeuwarden, en wel Uit Friesland's Volksleven. Daar staat het verhaal deels in met iets meer bewoordingen, maar ook hier weer zonder bronvermelding. Mogelijk zijn de heren Scheltema met hun werken over de Friese geschiedenis uit de tijd om 1800 voor hem de bron geweest, heren die overigens in Franeker geen onbekenden waren. D.J. van der Meer heeft in het jierboekje fan it genealogysk wurkferban van 1969 blz 28 e.v. een artikel gewijd aan de families Fons. Hierin noemt hij in eerste instantie een "adelijke" familie Fons in Jorwerd, vervolgens misschien nog enige afstammelingen. Hij sluit af met enkele Fonsen in Franeker, maar daarin legt hij in het geheel geen relaties meer met de familie in Jorwerd. Van belang daarbij is het gegeven dat hij tot de conclusie komt dat er in Franeker in de 18de eeuw in het geheel geen Lieuwe of Wytse Fons hebben gewoond. Hij betrekt daarvoor de Reeel Cohieren van de stad bij het betoog. Hij stelt dan dat hierin alle eigenaren en bewoners van de stad staan vermeld. Op de keper beschouwd, is dat niet waar. Voor de eigenaren zal die stelling wel opgaan, voor de bewoners zeker niet.
Primair is het duidelijk dat alleen de zelfstandige gezinshoofden als bewoners zijn opgenomen; inwonenden bleven buiten beschouwing. Ook de armenwoningen komen in de cohieren niet met bewoners voor. Dezen waren vrijgesteld van het betalen van de belasting - vandaar dat hun namen niet interessant waren om te noteren. In deze cohieren over de periode 1713 - 1805 komt inderdaad geen enkele "Fons" voor. Wel heeft hij gewezen op het voorkomen van de naam van Wytze Tjerks als bewoner van het huis E(erste) N(oord) 44, waarvan Dirck Doeckes of diens weduwe eigenaar was. Deze Dirck noemde zich bij zijn huwelijk in 1707 Fons. In het Quotisatie Cohier van 1749 komt Wytze voor met als beroep Bolleman. Volgens Van der Meer trouwde hij in 1706 met Nieske Jans en in 1711 met Sytske Clases. Hij sluit het artikel dan af met de opmerking dat het laatste woord over Wytze Fons en over de waarde van Scheltema's Mengelwerk nog niet geschreven is.

Aan dit alles kan nog het navolgende worden toegevoegd: Uit een nauwgezet onderzoek mijnerzijds naar de route van het Reeel Cohier door de stad in samenhang met andere cohieren en transportacten blijkt dat het huis EN 44 het hoekhuis is van het Hocquart met Kleyenburg - Jawel de beruchte Eerste Aanleg. Uit het burgerboek van Franeker blijkt, dat in 1739 een Wytse Tjercks als burger wordt aangenomen, met als toevoeging dat hij uit Franeker afkomstig was. Meestal moet men dan denken aan iemand die wel in Franeker is geboren, maar waarvan de vader geen burger van de stad was.

Uit de lidmatenboeken blijkt uit een lijst van personen, die gerechtigd waren tot het te houden Heilig Avondmaal van 1742, dat Wytze Tjerks en Antie Sjoerds, echteluiden, daartoe behoorden. Daarbij lijkt het alsof ze op 17 maart 1741 uit Dokkum afkomstig waren. In 1742 wordt vermeld dat het echtpaar op Kleyenburg woonde.
In overeenstemming hiermee is het feit dat Wytze voor het eerst voorkomt in een Reeel Co-hier van na 1740 en dat de naam na 1757 weer verdwenen is.
Toch moet hij volgens een lijst van lidmaten uit 1766 nog in Franeker wonen, en wel onder het hoofd: "In de stad". Let men op de straatnaamgeving in dit cohier, dan blijkt dat het register buiten de Noorderpoort begint. In de Stad is dan de aanduiding dat men met de bewoners binnen de poorten begint. Dat moet dan wel de Noorderpoort zijn, want direct daarop volgt het Hokkaat. Het is derhalve verleidelijk aan te nemen dat Wytse dan nog steeds op Kleyen-burg woont. Dat zijn naam niet genoemd wordt, zal wel verband houden met het feit dat hij niet meer zelfstandig een huishouding verdiende. Mogelijk woonde hij in één van de kamers op Kleyenburg, maar misschien woonde hij ook nog wel in het hoekhuis als inwonend persoon, afhankelijk van een ander gezin.
Uit al deze gegevens kan wel de conclusie worden getrokken dat de opmerking van Van der Meer dat Wytze Tjerks twee keer getrouwd is geweest niet op kan gaan, want de daar vermelde eerste vrouw, blijkt in 1742 nog steeds diens vrouw te zijn, hoewel hij volgens Van der Meer in 1711 met een Sytske Clases getrouwd was. Het lijkt er derhalve op dat er kort na 1700 in Franeker twee personen woonden die Wytze Tjerks heetten. Eén van hen liet in 1707 een dochter Janke dopen. Haar vader moet dan wel de Bolleman zijn geweest. Volgens Van der Meer is hij in 1681 gedoopt als zoon van Tjerck Oostindievaarder. Als dat zo is, dan was hij in 1766 al 85 jaar. En als hij in 1797 overleden zou zijn dan was hij op 116-jarige leeftijd gestorven, waarlijk een sage waard.

Toch blijft er een belangrijk aspect in het hele verhaal onderbelicht. Waling Dykstra haalt een voorval aan waarbij Marijkemeu kennis maakt met Wytze Fons. Op zich zelf ook weer zo'n fantastisch verhaal voor bij het haardvuur, maar toch. In die strofe zegt het verhaal dat ze met haar rijtuig stil houdt voor het laatste huis voor de Noorderpoort. Waarschijnlijk heeft de schrijver van het artikel in de Franeker Courant op basis van deze regel geconcludeerd dat de Bolleman in het huis buiten de stad naast de Noorderpoort woonde, de huidige "boerderij". Die interpretatie deugt echter niet, want het verhaal zegt dat dit gebeurde bij het verlaten van de stad en dus moet dat laatste huis in de stad hebben gestaan, en ziedaar, Waling Dykstra cq De heren Scheltema, wisten dat in het huis naast de poort een bolleman heeft gewoond, en ook in dat verhaal komt men weer uit op de beruchte Eerste Aanleg, die toen overigens nog helemaal niet zo heette, als locatie waar de sage aan opgehangen is. Uit het verhaal van Walig Dykstra c.s. kan niet worden opgemaakt dat in dat laatste huis ook een herberg gevestigd was. En als zodanig blijft het een raadsel waar de schrijver van het artikel in de Franeker Courant die kennis vandaan gehaald heeft.

Uiteraard blijft het een vraag of het gebouw in de periode van Wytze Tjerks en daarvoor en daarna een horeca-functie heeft gehad. Een Bolleman is nu eenmaal geen herbergier, maar in die periode kwam het wel meer voor dat iemand meerdere beroepen uitoefende. Wat kan daar nu over gezegd worden? Uit 1608 is een transport van eigendom bekend van dit huis, waarbij Jan Eeverts zn. brouwer het huis koopt. Het complex bestaat dan uit een huis en een loods met Cleyenburch ten oosten, de stadswal en poort ten noorden en Faes Takes ten zuiden. Uit het perceel ging een grondpacht van 28 stuivers die de rechte armvoogden toekwam. Hij verkoopt het huis in 1614 aan Sybren Jans Het huis vererft daarna vermoedelijk op zijn zoon, want in 1656 blijkt uit een transportacte van het aangrenzende huis, dat Pyter Sybrands eigenaar was van het hoekhuis. Hoe het verder met die familie gegaan is blijkt niet, maar in 1661 wordt het huis als nalatenschap verkocht aan Sioerdt Jans zn.


In 1664 wordt het huis in het openbaar verkocht, waarbij een redelijk grote omschrijving wordt gemaakt van het te veilen goed. Daaruit blijkt, dat het huis toen een uithangbord had met daarop een Rood Hart. Met als toevoeging dat Claes Symens het huis bewoonde als herbergier. Hij zal denkelijk geen eigenaar zijn geweest. En als zodanig is het mogelijk dat hij ook al bij eerdere eigendomswisselingen hier woonde.
In 1675 blijkt Berber Duringh eigenaresse van het pand te zijn, die er zelf woonde. Het geheel wordt dan weer in het openbaar verkocht en het wordt omschreven als een goed en welgelegen huisinge, schure en paardestal cum annexis, staande aan de Noorderpoort. De omschrijving laat de mogelijkheid open dat hier een herberg gevestigd was, waar de reizende man zijn paarden kon stallen.
Het huis wordt dan eigendom van de familie Brunia. Volgens de omschrijving van de burgerij uit 1679 komt Ittie Brunia als eigenaresse voor van een huis in het Eerste Noord, in de route direct volgend op de Noorderpoort, met zowel in 1678 als 1679 als bewoner Pytter Idserts.In 1680 komt zijn weduwe als bewoonster voor. Idtie Dircx, weduwe van de ontvanger Jorrit Brunia, verkoopt het geheel in 1681 aan Agge Andries Brunia. Er is dan sprake van een schone huisinge, schure, koemelkerij en peerdestalling cum annexis Het Rode Hart genaamd. Agge zal de koemelkerij wel verhuurd hebben, waarbij het de vraag is of de koemelker tevens herberg hield. In 1681 komt Hans Beereman als bewoner voor. In 1689 komt het huis weer in openbare veiling en dan wordt het complex enkel omschreven als huisinge en schuir cum annexis 't Rood Hart genaamd, staande bij de Noorderpoort, de gemene straat ten westen. Vermoedelijk komt het huis dan in handen van Jacob Ynses. Als bewoner komt volgens het cohier van de 100ste penning Duco Douwes voor, die als zodanig ook in een cohier uit 1686 op deze plek staat vermeld. Volgens de omschrijving van de burgerij uit 1695 eveneens. Jacob Ynses verkoopt in 1694 een stukje erf de bollestalle genaamd, leggende aan en in des koperens erf, nevens de afgebroken schuur, achter de brouwerij van 't Hart. De koper was de buurman aan de oostzijde. En dan komen we bij de Eerste Aanleg toch weer uit op de bolle. Niet alleen in ruimtelijke zin, maar ook in de sfeer van bewoning, want volgens de omschrijving van de burgerij uit 1699 woont hier een Doecke Douwes bolleman, welke post in het cohier van de vijf specien van 1702 te herleiden is tot de naam Doecke Douckis Vons. En zo zijn we weer bij het uitgangspunt van het gehele betoog terecht gekomen. Uit de transportacten blijkt niet hoe lang Jacob Ynses eigenaar van het hoekhuis is geweest, maar uit een transport van het buurpand ten zuiden blijkt dat reeds in 1705 Dirck Doeckes in het bezit is van het hoekhuis. Hiermee in overeenstemming is de omschrijving van de burgerij uit 1705 waaruit blijkt dat ook Dirck bolleman was. Hij komt niet voor in het lidmatenregister van de Hervormde kerk van 1709, 1720 en 1730. Hij blijft hierna als eigenaar en bewoner van het huis voorkomen in de reeel cohieren vanaf 1713 tot 1745, waarna zijn weduwe hier wordt genoemd. Volgens het reeel cohier van 1749 woont Wytse Tjercks in dit huis, maar Dirck Doeckes weduwe was toen nog eigenaresse van het gebouw. Reeds is gemeld dat hij in de quotisatiecohieren voorkomt als bolleman en bewoner van dit huis. Van Dirck Doeckes weduwe is dan geen spoor meer te bekennen. In 1757 verdwijnt ook zijn naam uit de reeel cohieren.
In 1753 komt het huis in handen van Leendert Roelofs, maar Wytse Tjercks blijft als bewoner. In 1758 betrekt Pieter Pieters het huis, in 1761 Philippus Jozeph. In 1766 zijn eigenaar en bewoner resp. Claas Pyters en de procureur Haagsma. Het is denkbaar dat de procureur ook herberg hield. In 1785 staan J Betzau en J W Stapentia als eigenaren te boek, waarbij de eerste tevens bewoner is. In 1796 komt J. Betzau alleen als eigenaar voor met als bewoner M. Betzau, die volgens de volkstelling van dat jaar castelein was. Volgens het register van de vaste goederen uit 1806 betreft het een huis en herberg met als eigenaren Dirk Wybrens Keuning, die het geheel in 1808 over doet aan Abele W. Keuning.

Het lijkt er derhalve op dat het hoekhuis pas omstreeks 1775 een horecafunctie heeft gekregen met een continuïteit tot het moment dat het gebouw uitgebrand en afgebroken is. Of het huis voor die tijd ook een continue herbergfunctie heeft gehad, kan uit deze stukken niet worden afgeleid. Nader onderzoek kan daar uitsluitsel over geven.

En dan tot slot. Het laatste woord over Wytze Fons zal nog wel niet gezegd zijn. En uiteindelijk toch nog een beetje eerherstel voor Waling Dykstra en P. en J. Scheltema.

W. Annema